Ga naar de inhoud

Maux

Geloofde in haar vorige leven ook al niet in reïncarnatie

Menu
  • Home
  • Columns
  • Poetry
  • Over mij
  • Liedjes
Menu

Sophia

Geplaatst op 9 september 201610 december 2024 door Maux

Ze is beeldschoon, intelligent, grappig en negentien zomers jong: elf Nederlandse en acht Griekse. Ik ontmoette Sophia voor het eerst in oktober 2008, toen ik een maand lang het kleine huisje huurde van haar vader in Ambelos. Ze woonden een paar doodenge, steile trappen lager, in een prachtig wit huis met blauwe luiken en een sinaasappelboom.

Ik kwam die dag al vroeg aan, maar het duurde nog dagen voordat ik echt zou landen. Mijn tijdelijke huisbaas, Sophia’s vader -en niet veel later mijn beste vriend die ik sindsdien Pieter Samos noem- zag het meteen. ‘Zo, moet je koffie?’ We sloegen de koetjes en de kalfjes over, en urenlang hadden we het over het leven, de liefde en de dood. Hij vertelde over zijn elfjarige Sophia die het jaar ervoor haar moeder, zijn vrouw, opeens op de grond zag liggen. Sophia wist meteen dat het niet goed was, maar ze was nog lang alleen voordat er hulp kwam. Hij vertelde over de kleine Kiki, haar zusje, die sindsdien niet meer ging slapen zonder de pyjama van haar moeder – haar geur zat er nog in.

Het was einde middag toen Sophia uit school kwam en ik nog steeds op het terras zat. Het was liefde op het eerste gezicht: ik op haar, zij op mijn hakken: ‘Mooi.’
‘Wil je ze even aan?’
‘Mag dat?’
‘Als je erop kunt lopen, ik gleed er bijna mee naar beneden.’
Ze lachte, trok dankbaar mijn schoenen aan en liep vervolgens een halve marathon in het dorp. ‘Handig’, zei haar vader. ‘Nu hoor ik altijd waar ze is.’      

Ik hoopte dat ik die maand mezelf zou vinden, maar ik vond er vooral de onvoorwaardelijke vriendschap met dat kleine grote meisje en Pieter Samos. Ik was elke dag bij ze. Ik mocht even deel uitmaken van hun leven en hoefde er helemaal niets voor te doen, of iets te zijn. Toen ik na twee weken bang was dat ik te veel was geworden, en met tegenzin het aanbod afsloeg om ook die avond weer mee te eten, vonden ze dat maar belachelijk. ‘Hoezo niet?’
‘Wordt het niet te veel, zo elke dag?’
‘Doe eens niet zo Nederlands’, antwoordde Pieter Samos met zijn botte Noord-Hollandse accent.
We sloten een deal: op hun laatste avond zou ik ze trakteren in het restaurant onderaan de berg.

Tijdens het afscheid overhandigde Sophia me plechtig de hakken en knuffelde me eindeloos lang, of ik haar. Pieter Samos sloeg me op mijn schouder. ‘Kom maar snel eens aanwaaien’. Ik beloofde dat ik ze snel zou opzoeken in Nederland: het land met een betere school voor de kinderen, meer werk en dichterbij de mensen die hij juist nu zo nodig had. Het land waar het hun leven weer wat makkelijker moest worden, maar waar de winter al zachtjes op de deur stond te kloppen.

Sophia was twaalf toen ze samen met Pieter Samos kwam koken op mijn verjaardagsfeest. Ze sjouwde de boodschappen naar binnen en begon meteen met koken: een pakketje van filodeeg met peer, geitenkaas en honing. Pieter Samos was trots. ‘Dat heeft dat grietje dus gewoon helemaal zelf bedacht’.

Sophia was dertien toen Pieter Samos mij mailde over hun fijne winter. Er lag ijs. ‘Vandaag hebben we veel geld verdiend met Koek en Zopie hier voor de deur. Heel leuk natuurlijk. Vader gooit de truck vol bij de Aldi en de meiden lopen helemaal binnen.’

Sophia was veertien toen ze logeerde bij haar Griekse peetmoeder en Pieter Samos bij mij op de Noord-Hollandse camping langskwam waar ik de kinderen enmijzelf al dagen probeerde te overtuigen van het feit hoe enorm leuk kamperen wel niet kon zijn. Oók in de stromende regen. Hij vond het hilarisch.

Sophia was vijftien lentes jong toen Pieter Samos mij mailde op een grijze maandagochtend dat hij ongeneeslijk ziek was en niet lang meer te leven had. Drie weken later was ik op zijn begrafenis.

Sophia is negentien zomers oud en wil geen medelijden, ze háát het. Heel soms glipt de binnenkant naar de buitenkant, meestal ‘s avonds, na een paar dagen samen in de zon op Samos. Ik wil haar dan het liefste in een doosje doen, troosten en lieve dingen zeggen terwijl ik over haar hoofd aai. Maar ik weet dat ik juist niets moet doen, niet bewegen, niets zeggen, en vooral niet aankijken, haar hoofd op mijn natte schouder totdat ze het genoeg vindt, totdat ze de grap maakt hoe irritant het wel niet is dat ze bij mij altijd moet huilen.

Sophia is negentien jaar en voor eeuwig te jong voor deze rauwe rouw.

2 gedachten over “Sophia”

  1. Dick van der Zee schreef:
    8 juli 2021 om 19:52

    Beste Maureen. Allereerst wat mooi geschreven de verhalen over Piet Termaat. In 2009 vroeg een oudere dame aan mijn vrouw naar welk Grieks eiland ze dit jaar ging. Samos zij mijn vrouw Jacqueline. O maar dan moet je bij mijn zoon in Ambelos langs gaan dat zal hij leuk vinden. En gezellig was het zeker ondanks dat Piet net bij de tandarts vandaan kwam, Piet was echt een Griek geworden. Maar daar gaat dit niet over. Ik heb toen onze ontmoeting gefilmd en nu vraag ik mij af of Sophia of haar zus die beelden uit 2009 zouden willen hebben. Zou jij hier iets in kunnen betekenen? Ik weet hoe belangrijk en mooi het is om een video van een overleden dierbare te hebben. Ik hoor graag van je. met vriendelijke groet, Jacqueline & Dick van der Zee

  2. Jan Talens schreef:
    3 augustus 2018 om 21:15

    Poeh hee, wat een prachtig verhaal dankjewel!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Zoeken

Reacties

  • Thijs op Out of character
  • Dagmar Lauvenberg op Altijd precies op tijd te laat
  • Dagmar Lauvenberg op Missen op het eerste gezicht
  • Thijs op Altijd precies op tijd te laat
  • Anoniem op Maux Actually

Archief

©2026 Maux | Gebouwd met WordPress en Responsive Blogly thema door Superb