Maux

Geloofde in haar vorige leven ook al niet in reïncarnatie
Sophia
Mensen van Samos

Sophia

Ze is beeldschoon, intelligent, grappig en 19 zomers jong: 11 Nederlandse zomers en 8 Griekse. Ik zag Sophia voor het eerst in oktober 2008 toen ik een maand lang het kleine huisje huurde van haar vader in Ambelos. Hun huis lag een een paar steile trappen lager: een prachtig wit huis met blauwe luiken en een sinaasappelboom die ook in die herfst voor verkoelende schaduw zorgde op het terras.

Ik kwam al vroeg aan, maar was nog lang niet geland. Mijn tijdelijke huisbaas, Sophia’s vader -en niet veel later mijn beste vriend die ik sindsdien Pieter Samos noem- zag het meteen. ‘Zo, moet je koffie?’ We sloegen de koetjes en de kalfjes onuitgesproken over. Urenlang hadden we het over het leven, de liefde en de dood. Over zijn elfjarige die het jaar ervoor haar moeder opeens op de grond zag liggen en meteen wist dat het niet goed was. Over de kleine Kiki, die sindsdien niet meer ging slapen zonder de pyjama van haar moeder want haar geur zat er nog steeds in.

Het was middag toen Sophia uit school kwam lopen en ik nog steeds op het terras zat. Het was liefde op het eerste gezicht: ik op haar, zij op mijn hakken. ‘Mooi.’
‘Wil je ze even aan?’
‘Mag dat?’
‘Als je erop kunt lopen, ik gleed er vanochtend bijna mee naar beneden.’
Ze lachte, trok dankbaar mijn schoenen aan en liep vervolgens een halve marathon in het dorp. ‘Handig’, zei haar vader. ‘Nu hoor ik altijd waar ze is.’      

Ik hoopte dat ik die maand eindelijk mezelf eens zou vinden, maar ik vond er vooral de onvoorwaardelijke vriendschap met dat kleine grote meisje en Pieter Samos. Ik was elke dag bij ze. Ik mocht even deel uitmaken van hun leven en hoefde er helemaal niets voor te doen. En toen ik bang was dat ik te veel was en met tegenzin het aanbod afsloeg om ook die avond weer mee te eten, vonden ze dat maar belachelijk. ‘Hoezo niet?’
‘Wordt het niet te veel, zo elke dag?’
‘Doe jij eens niet zo Nederlands.’
We sloten een deal: op hun laatste avond zou ik ze trakteren in het restaurant onderaan de berg.

Tijdens het afscheid overhandigde Sophia me plechtig de hakken en knuffelde me daarna eindeloos lang en veel te kort. Pieter Samos sloeg me op mijn schouder. ‘Kom maar snel eens aanwaaien’. Ik beloofde dat ik ze snel zou opzoeken in Nederland: het land met een betere school voor de kinderen, meer werk en dichterbij de mensen die hij juist nu zo nodig had. Het land waar het het leven weer wat makkelijker moest worden, maar waar de winter al zachtjes op de deur stond te kloppen.

Sophia was 12 toen ze samen met Pieter Samos kwam koken op mijn verjaardagsfeest. Ze sjouwde de boodschappen naar binnen en begon meteen met koken: een pakketje van filodeeg met peer, geitenkaas en honing. Pieter Samos was trots. ‘Dat heeft dat grietje dus gewoon helemaal zelf bedacht’.

Ze was 13 toen Pieter Samos mailde over hun fijne winter. Er lag ijs. ‘Vandaag hebben we veel geld verdiend met Koek en Sopie hier voor de deur. Heel leuk natuurlijk. Vader gooit de truck vol bij de Aldi en de meiden lopen helemaal binnen.’

Ze was 14 toen ze logeerde bij haar Griekse peetmoeder en ik Pieter Samos voorstelde om deze zomer weer eens wat af te spreken. Hij vond het een goed idee. ‘Ja, veel te lang te geleden, je hebt gelijk! Ben geheel vrouwloos want alles zit in het buitenland!’ Hij kwam langs op de Noord-Hollandse camping waar ik de kinderen en vooral mijzelf al dagen probeerde te overtuigen van hoe enorm leuk kamperen wel niet kon zijn. Oók in de stromende regen. Hij vond het hilarisch.

Sophia was bijna 15 toen Pieter Samos mailde op zomaar een grijze maandagochtend. ‘Lieve Maureen schrik niet, maar de doktoren hebben ongeneeslijke maagkanker met uitzaaiingen bij me ontdekt. De meiden weten ook dat ik niet lang te leven heb en met hun gaat het ondanks deze slechte tijding redelijk goed.’

Sophia was te jong.

Ze is beeldschoon, intelligent, grappig en negentien zomers oud. Ze wil geen medelijden, ze háát het. Maar toch, heel soms mag ik haar even troosten. Mijn wangen kunnen nooit nat genoeg zijn van haar tranen. Vooral op die momenten zou ik haar het liefste in een doosje willen doen en alles weer heel en goed maken.

Mijn lieve Sophia, die in zoveel opzichten veel volwassener is dan ik waarschijnlijk ooit zal worden, keert elke zomer weer terug naar Samos. Met een beetje geluk zie je haar zitten in Ambelos, voor het witte huis met de blauwe luiken op die ene fijne plek in de schaduw onder de sinaasappelboom.

Delen
  • email
  • Twitter
  • Facebook
  • LinkedIn
  • Google Bookmarks
  • Print

1 Comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.